Menu

Home
Wat is Aquitarius
Links
Het genre Fantasy
Biografie
Recensies
Agenda
Interviews
Messageboard

Google

Het genre Fantasy

Hedendaagse Fantasy


In tegenstelling tot wat vele 'critici' durven beweren, is het genre fantasy wel degelijk een literaire stroming. Het is een  term die gebruikt wordt voor fictie waarin bovennatuurlijke en/of onwerkelijke elementen voorkomen.

Fantasy literatuur plaatst de karakters in een “andere” wereld, universum of rijk. De tijdsperiode vertoont vaak overeenkomsten met de Middeleeuwen. Magie speelt meestal een belangrijke rol en van technologische ontwikkeling is over het algemeen weinig sprake.

Fantasy lijkt wat op traditionele sprookjes, maar qua lengte zijn deze verhalen langer.

Het is een zelf-coherente vertelling die de lezer uitnodigt om het verhaal mee te beleven. Wanneer het zich afspeelt in deze wereld, verhaalt het gebeurtenissen die onmogelijk lijken in onze werld zoals we die waarnemen. Wanneer het verhaal zich situeert in een "andere" wereld, zullen de gebeurtenissen nog altijd onmogelijk lijken voor ons, maar lijken ze wel mogelijk binnen de definiëring van deze "andere" wereld.

Fantasy is een manier om te vertellen over het fantastische:


- het onmogelijke waarnemen: elementen die in de tijdsperiode of de heersende 

wereldvisie op het moment dat het verhaal geschreven wordt, onmogelijk lijken

- de “andere” wereld”: onze wereld is onderhevig aan eigen wetten qua fysica en dergelijke; imaginaire werelden met eigen wetten maken de weg open  voor verhalen die mogelijk zijn binnen deze onmogelijk lijkende werelden. Tolkien was hierin een vorbeeld.

- realiteit-vervorming/metamorfose: dit wordt in fantasy meestal weerspiegelt via een element dat “verkeerd” overkomt: wanneer de Hobbits in J. R. R. Tolkiens “Lord of the Rings” voor het eerst geconfronteerd worden met de Nazgûl, is dit een shockerende confrontatie met duistere krachten, het brengt een besef teweeg dat hun wereld voor altijd anders zal zijn.

- herkenning: dit is het moment in het verhaal waarop het hoofdpersonage blikt op zijn/haar veranderde wereld en plots (in)ziet wat hij/zij moet doen.

De vroegst gekende fantasy novel is “The hope of the Katzekopfs” door F. E. Paget uit 1844. Toen was het gangbaar dat kinderverhalen enkel feitelijke informatie bevatten. Toch was de toon gezet en meer fantasy novels volgden. Eén van de meer gekende Britse fantasy novels, “Alice in Wonderland”, werd in 1865 geschreven door Lewis Carroll. Anderen zouden zijn voorbeeld volgen in het imaginaire en fantasierijke. Schrijvers als George McDonald schreven verhalen die geplaatst waren in een andere wereld en/of tijd. Deze werden gebruikt om jonge lezers te betrekken bij politiek en andere dagdagelijkse gebeurtenissen. Voorbeelden zijn: “The Light Princess” en “At the back of the North Wind”. Tijdens de late 1880's en de vroege 1900's introduceerden schrijvers als J. M. Barrie humor en magie.

De revival van het genre tijdens de laatste decennia van de twintigste eeuw is grotendeels te danken aan Tolkien. Hij is voor vele auteurs uit het genre hun grote inspiratiebron en vele boeken worden op de kaft zelf vergeleken met de werken van Tolkien.

Tolkien was zeer accuraat, detaillistisch en vooral een perfectionist. Hij herschreef soms grote delen van zijn verhalen om de maanstanden te laten kloppen. Onbewust als we het epos lezen, kunnen we de reis volgen van het genootschap en merken we er geen enkele tegenstrijdheid in. Ondertussen zijn er zelfs al atlassen verschenen van Midden-aarde. Dat kenmerkt het hele werk van Tolkien, er is zelfs aan de kleinste details genoeg aandacht besteed. Het lijkt alsof we inderdaad het waargebeurde verhaal volgen in een reële wereld. Het lijkt geschiedschrijving.

Hij had als academicus een brede achtergrond en kennis en vooral een grote culturele bagage. Hij wist veel af van geschiedenis en had een duidelijke voorkeur voor de Edda's, de Engelse en Welshe legendes en tal van andere verhalen, legendes en mythen. Het stak hem een beetje dat Engeland zich niet kon roemen op een reeks van mythologische verhalen zoals de Grieken of de Edda's, dus besloot hij er zelf een te schrijven. Dat zou zijn levenswerk worden dat hijzelf nooit af zou zien: de Silmarillion werd pas vier jaar na zijn dood uitgegeven, samengesteld door zijn zoon Christopher Tolkien en Guy Kay. Dat was ook het verhaal dat hij wou laten publiceren toen ze hem vroegen een vervolg te schrijven voor De Hobbit.

De kennis van de geschiedenis is duidelijk te merken in zijn verhalen. Vele kleine en grotere delen uit zijn verhalen kunnen worden terug herleid naar hun oorspronkelijke inspiratiebronnen, namelijk de legendes en mythen waar hij zo dol op was.

Naast de opmerkelijke kennis van geschiedenis en evolutie bemerkt men ook in zijn werk de accuratesse waarmee hij de geschiedenis van zijn wereld heeft opgebouwd. In tegenstelling tot vele andere schrijvers die gewoon een wereld creëren met een minimum van details omtrent de herkomst van de culturen, had Tolkien meer oog voor de nauwgezetheid. De cultuur en tradities die hij bij een bepaald volk beschreef volgen een zekere evolutie om te komen tot de maatschappij waarin hij ze beschrijft. Het is niet langer zomaar een volk dat ‘uitgevonden' wordt, het lijkt alsof het volk bestond en Tolkien het gewoonweg beschrijft.

Tolkien was een gerenomeerd linguïst. Talen waren zijn passie. Hij leerde heel graag talen – met uitzondering voor het Frans – en probeerde zelf van kleinsaf aan talen te creëren. Zo kwam hij na jaren van intensief werken en vergelijken met twee elfse talen naar voor die een eigen schrift hadden: het Quenya en het Sindarijns. Quenya was de taal van de Elfen uit de oudheid, die na eeuwen evolueerde in het Sindarijns.Het schrift, Tengwar genoemd, is heel sierlijk en kent geen enkele overeenkomst met een van onze schrijfstijlen. De medeklinkers worden voorgesteld door tekens en de klinkers door leestekens boven de volgende medeklinker.


Tolkien maakte niet alleen een heleboel woordenschat, ook de grammatica was een coherent geheel van regels en uitzonderingen, net een echte taal. Maar Tolkien ging verder dan dat. Bij de creatie van de woordenschat schiep hij niet zomaar woorden door klanken bij elkaar te gooien, hij dacht na over een virtuele evolutie in de taal, namelijk hoe een woord zou kunnen afgeleid worden van een ander woord, hoe klanken konden veranderen door afstand en tijd. En net dat geeft de rijkdom van die fictieve talen weer. Zelfs iemand die zelf geen linguïst is, voelt de talen aan alsof ze echt zijn, meer dan enkel de uitvindingen van een man. Het lijkt of de talen een diepere laag hebben, een gefundeerde basis.

Niet alleen de elfen kregen hun eigen talen, ook de andere volkeren spraken hun iegen taal en kenden hun eigen schrift. In zijn boeken zijn er enkele zinnen en stukjes tekst weer te vinden van die talen. En ook hier valt direct op hoeveel er nagedacht is over die stukjes woorden en tekst.

Google ads